AI zal grote impact hebben op de manier waarop we voortaan visuele informatie vastleggen, creëren en interpreteren. Růženka Bisecker Vacca bespreekt elke maand een onderwerp.
Ik was een zogenaamd ‘ziekenhuiskind’ en mocht tot mijn zestiende niet sporten. Studio Sport, de Olympische Spelen, het schansspringen in GarmischPartenkirchen op 1 januari, het WK voetbal… ik keek ernaar alsof het science fiction was. Beam me up, Sporty!
Sport speelde zich af in een andere dimensie dan waarin ik leefde. Ik zat aan de kant te kijken naar de gymles en kon op geen enkele manier relaten met dat fitte gedoe. Mijn enige ‘work out’ was een beetje schommelen in de tuin en verder was ik overgeleverd aan denksporten: schaken, lezen en kruiswoordpuzzels. De allereerste keer dat ik op eigen initiatief iets deed in de sporthoek, was op mijn 27ste. Toen ging ik vol goede moed op zwemles. Dat avontuur strandde helaas op het onderdeel rugzwemmen; tot zover mijn toenmalige relatie met sport.

In de loop der jaren kreeg ik gek genoeg zeer sportieve kinderen, een sportieve man en sportieve vrienden. Door hen heb ik met allerlei uithoeken van de sport kennisgemaakt, meestal als toeschouwer. Nachtelijk rennen door het Amsterdamse Bos, krachttraining, crosstraining, Shotokan in een kelder, rugby in het zand, 100 km roeien tot de blaren niet meer te tellen zijn, turnen, 16 km rennen zonder training, off piste skiën, zes keer per week wedstrijdzwemmen, barre tochten met bloed in de schaats, wielrennen, boksen, darten, zeezwemmen in de kou, trampolinespringen, badmintonnen tot je er bij neervalt, tennissen, zeilen in de regen, paragliden in de bergen… de mensen van wie ik het meest hou, schudden het zó uit hun mouw.
Als ervaren langs-de-lijner, begin ik op mijn oude dag toch wel iets van de schoonheid te begrijpen van al dat gesport. Ik zie de opperste concentratie, het doorbijten, het zelfvertrouwen na afloop, de pay off na de opofferingen, het opstaan na de val, de samenwerking en het vertrouwen tussen teamleden, de trots en het fanatisme. Sporten brengt bijzondere krachten naar boven in een mens. En niet alleen bij de sporter zelf. Ook de kijker, coach, trainer én de fotograaf raken bevangen door de force of nature die loskomt zodra er wordt gesport.

Geen wonder dus dat de allereerste fotografen met de allereerste camera’s een poging deden om dit fenomeen vast te leggen. Maar hoe doe je dat als je heel lang doodstil moet poseren omdat je een lange sluitertijd hebt? Nou, door tegen een rek aan te leunen en dat later te retoucheren! En zo ging in 1843 de foto van ene Mister Laine de geschiedenis in als eerste sportfoto aller tijden. En wát een foto ís dat, zeg! Hij staat erbij als een roofdier dat elk moment zijn klauwen kan uitslaan, het racket is vergeleken met de streepjes in zijn trui wat onscherp en lijkt daarom te bewegen.

De Godfather aller sportfoto’s vond navolging en in Noord-Amerika kwamen als de wiedeweerga de eerste baseballplaatjes op de markt. Kaartjes die tot op de dag van vandaag (inmiddels voor vele duizenden dollars) begeerd, verzameld en verkocht worden, kijk maar eens op eBay.
Deze commerciële toepassing van sportfotografie terzijde, voltrok zich in het laatste deel van de negentiende eeuw, een aardverschuiving in de fotografie. Kort samengevat, lukte het Eadweard Muybridge om bewegingen te fotograferen die met het blote oog niet te zien waren. Hij gebruikte niet 1 camera, maar plaatste er 24 naast elkaar, die een voor een door een draadje getriggerd werden. Op die manier kon hij alle fases van een beweging vastleggen en dat was destijds groot nieuws. Op den duur bouwde hij een buitenstudio waar hij iemand van drie kanten tegelijkertijd kon fotograferen met behulp van een soort fotomachines waarin telkens twaalf camera’s gemonteerd zaten.
Besef even, het was pas 1884 en toch kwam er al geen mensenhand of mensenoog meer aan te pas. Trigger, klik, trigger, klik, trigger, klik et cetera. Muybridge legde met zijn onderzoek niet alleen de basis voor bewegende film, ook baande hij met zijn ruimdenkende aanpak de weg voor de sportfotograaf van de toekomst. Hij had geen scrupules over het maximaal inzetten van beschikbare techniek en liet zich drijven door zijn ontembare nieuwsgierigheid. Hij liep met zijn motion studies anderhalve eeuw voor op zijn tijd.

De invloed van Muybridge is nog steeds voelbaar in de sportfotografie. Sindsdien en nog altijd, borduren sportfotografen voort op zijn pionierswerk, zoals Howard Schatz met zijn hedendaagse Motion Studies. Als je zijn baseballspeler ziet en die vergelijkt met het antieke baseballkaartje, dan lijkt het op het eerste oog alsof hij misschien wel met AI heeft gewerkt, maar eerlijk is eerlijk, George Demeny maakte in 1906 een soortgelijk beeld met een man op een rekstok. Zoveel lijkt er in de fotografie niet veranderd…

Sinds de negentiende eeuw is er in grote delen van de westerse maatschappij wél veel veranderd. De werkweken werden aanzienlijk korter, de vrije tijd nam enorm toe en zo kreeg men voor het eerst in de geschiedenis volop ruimte om te sporten voor het plezier. Met de komst van goedkopere camera’s, ontstond tegelijkertijd een heel nieuw genre in de sportfotografie: de huis-tuin-en-keuken sportfoto. Niet bedoeld om indruk mee te maken, maar om te bewaren als souvenir. Zo hangt bij ons bij de eettafel een foto van mijn man die een zwembad inspringt. De foto heeft verder geen artistieke of journalistieke pretenties, het is gewoon een mooie herinnering aan zijn tienertijd.
Gebruik van AI zal in deze categorie foto’s geen probleem zijn. Enkele zorgvuldig geselecteerde beelden worden met flashy AI-filters klaargestoomd voor plaatsing op social media. We kunnen nooit meer achterhalen of wat we zien ongefilterd ‘echt’ is of niet. Ik ga er voor het gemak maar vanuit dat 90% van alles dat ik zie, met AI is strakgetrokken.
In de reclame-sportfotografie wordt AI al heel vaak gebruikt om tot een opvallend beeld te komen. Een goed voorbeeld vind ik het reclamewerk van Dave Lehl. Zijn kenmerkende gebruik van lichtstrepen doet even futuristisch als old skool aan. Lehl vertaalt een ouderwets handmatig gevoel naadloos naar het nu, zonder bloedeloos te worden. Zijn sprankelende snowboardfoto heeft in mijn ogen exact dezelfde vibe als het energieke ski-zelfportret van Dick Durrance uit 1937.

Naast de reclame- en kunst-sportfotografie hebben we ook nog de echte die hards, de fotojournalisten. Waar gebruik van AI in de nabewerking not done is omdat, in de woorden van Klaas Jan van der Weij: “…mensen moeten kunnen vertrouwen dat dit de realiteit is.” Het is niet zo dat AI helemaal afwezig is. Denk aan de workflow waar AI je helpt om uit de stroom beelden makkelijk een selectie te maken. Is dat al over de grens van het betamelijke? Wie bepaalt waar die grens ligt? Hoe zal de nieuwste generatie sportfotografen aankijken tegen gebruik van AI in de journalistiek? De scheidslijn lijkt helder: je fotografeert wat je ziet en publiceert die objectieve realiteit. Maar wat ís de objectieve realiteit? Mag je licht corrigeren, kleur aanpassen, croppen? Is het geheugen van de fotograaf objectief? Is objectief hetzelfde als realistisch?
Vaak zie je in stadions rijen onbemande camera’s, die op afstand worden aangestuurd. Deze praktijk doet denken aan de opstelling van Muybridge, met dat verschil dat moderne camera’s een beeldzoeker hebben die gezichten herkent en volgt, die gespitst is op emoties en die vastlegt. AI lijkt een beetje op een stagiaire met een afgekaderde opdracht. Is dit zo’n stagiaire die niet meer weg gaat en uit is op jouw baan? We gaan het zien, we gaan het echt heel snel zien.
Als ik zo’n peloton fotografen netjes op de tribune zie zitten, iedereen op dezelfde afstand, hetzelfde uitzicht, hetzelfde licht, dezelfde lenzen, hetzelfde doel, alleen andere opdrachtgevers, dan denk ik: die zijn binnen een paar jaar vervangen door AI. Het zou nu al kunnen, zonder probleem, het lijkt me echt een kwestie van tijd. De hoop voor de toekomst van de journalistieke sportfotograaf zit hem in mijn optiek vooral in onbeheersbare omgevingen. Fotografen die van de tribune afstappen en zich op de frontlinie van de sport ingraven om daar samen met een sporter een onvergetelijk beeld te creëren.

De fotojournalist die zich een weg baant door de prut, tegen de wind in problemen oplossend, uitglijdend over de kasseien en onderhandelend met dwarse officials, díe kan wonderen verrichten en foto’s maken die AI in zijn wildste dromen niet had kunnen bedenken. Die sportjournalist heeft iets in zijn macht waar AI geen speld tussen krijgt.
Kijk maar eens goed naar de wielrenner van Klaas Jan van der Weij. Deze foto had niet gemaakt kunnen worden vanaf een tribune. Maar dit is toch AI??? Nee, dat is het niet! Wat zitten we dán naar te kijken? Ik weet het niet! Een gevalletje ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’, om Cruijff te citeren. Fijn om te weten dat AI het nog altijd aflegt tegen sportfotografen met visie en lef. Heerlijk.
Dit artikel is eerder verschenen in Focus 4 – 2024
Nieuwsgierig naar meer AI-artikelen? lees dan ook: Jouw foto’s op de blockchain







