Amateurfotografie: iedereen fotografeert

In 2017 promoveerde Mattie Boom, conservator fotografie van het Rijksmuseum, aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam op de opkomst van de amateurfotografie in Nederland. Het onderzoek nam meer dan tien jaar in beslag. In deze periode bekeek Boom honderden albums in de Nederlandse instellingen en archieven en zocht zij in tijdschriften, brieven, dagboeken en egodocumenten naar verwijzingen over het fotograferen in die dagen.

0
amateurfotografie
Bram Loman Jr. (1868-1954). Amsterdam, Haarlem en Gelderland AFV’s tijdens een excursie naar Arnhem, 12 juni 1892. STADSARCHIEF AMSTERDAM

Het Rijksmuseum publiceerde haar onderzoek over amateurfotografie in een rijk geïllustreerd boek. Hieronder doet Mattie Boom verslag van haar bevindingen en vertelt zij het intrigerende verhaal van de opkomende doe-het-zelffotografie in de late 19de eeuw.

Wendbare handcamera’s en snelle platen zorgden ervoor dat steeds meer mensen zelf gingen fotograferen. De nieuwe technologie, de schaalvergroting in de foto-industrie met zijn felle concurrentie en de internationalisering van de markt veranderden de ‘oude’ fotografie voor altijd. Bovendien vertonen de ontwikkelingen in de beeldindustrie van onze tijd grote overeenkomsten met die in de late 19de eeuw. En het Nederlandse verhaal van de amateurfotografe blijkt niet alleen interessant en veelzijdig, maar ook universeel. Want de opkomende amateurfotografie is de ‘missing link’ in de fotografiegeschiedenis. Ze stoomde de fotografie klaar voor de moderne tijd.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Willem Frederik Piek Jr. (1874-1954). Aan boord, Warnemünde, c. 1892, uit het album Scraps. AMSTERDAM, RIJKSMUSEUM

Een Amsterdams Kodakalbum

In 1973 kocht de Amsterdamse advocaat en fotografieverzamelaar Bert Hartkamp bij een opkoper op het Waterlooplein een groot bruin album. Voorop stond in sierlijke gele letters ‘Scraps’. Op het eerste blad waren wat kleine onooglijke foto’s geplakt. Het waren foto’s uit het droge collodiumtijdperk: afdrukjes van dryplates, een beetje modderig en de vergeelde gelatinelaag had een zware glim; bepaald geen topkwaliteit. Om de eerste foto, een portretje van een jonge vrouw, was in inkt een kader getrokken en daaronder stond ‘27 maart 1889’. Verderop in het album zaten ronde foto’s. De ronde foto’s werden met de eerste modellen Kodak-camera’s gemaakt, in 1888, 1889. Er was nauwelijks iets onder of bij de foto’s geschreven. Alleen ‘Florence’, ‘Warnemünde’, ‘Venetië’ en ‘Keizersfeesten 1891’, maar verder zijn er geen namen die enige toelichting op het fotoalbum konden geven. Voorin zat in een omslag een fotoportret van een kalende man met strakke grijze baard. Die foto was gemaakt in een professionele studio in New York, wat duidde op connecties met Amerika. Met de aankoop van Hartkamps fotocollectie door het Rijk kwam het album in de fotocollectie van het Rijksmuseum terecht, waar ik het vaak in de hand nam en doorbladerde, want dit was een Amsterdams Kodakalbum. Ik vond het een mysterie met al de vragen die het opriep. Waarom kon ik het niet thuisbrengen en waarom wist ik eigenlijk niks van de introductie van de Kodak in Nederland en ook niks van de opkomst van de amateurfotografie? Bij dit album is mijn onderzoek naar de geschiedenis van de amateurfoto­grafie begonnen.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Toegeschreven aan Johanna Margaretha Piek (1870-1947). Uitzicht vanaf de Herengracht 258, Amsterdam, 1891, uit het album Scraps. AMSTERDAM, RIJKSMUSEUM

De aantrekkingskracht van amateurfotografie Amateurfoto’s als die uit dit Kodakalbum oefenen nu, in onze tijd, een grote aantrekkingskracht uit op allerlei verzamelaars. Zoveel jaar later heeft visionair Hartkamp veel concurrenten gekregen. Je komt snapshots – ook die van wildvreemde – overal tegen: in particuliere fotoverzamelingen; op de kunstmarkt; in het werk van hedendaagse kunstenaars; op websites; in museumcollecties en af en toe aan de muur in het museum. Oude kiekjes kunnen, zodra ze via het beeldscherm gedeeld worden, ineens weer springlevend zijn. Die groeiende belangstelling voor amateurfotografie kan gedeeltelijk worden verklaard uit de groei en bloei van de fotografiemusea en fotografiedeskundigen. Tentoonstellingen volgen elkaar in snel tempo op en de smaak verschuift. Het zogeheten vernacular, de gebruiksfotografie waar ook de amateurfotografie toe behoort, is rond het jaar tweeduizend steeds vaker deel gaan uitmaken van tentoonstellingsprogramma’s. Maar die populariteit heeft ook een keerzijde. De amateurfoto, het toeval én de anonimiteit worden bijna gecultiveerd: hoe anoniemer de foto, hoe beter. Want als je weet wie de foto maakte, zou de glans er zomaar af kunnen gaan. Het is alsof ‘Anonymus’ een grote nog onbekende en nieuw ontdekte kunstenaar is (maar dan een die vele makers in zich verenigt). Door de populariteit van dit soort mysterieuze naamloze foto’s staart ons een rij prachtige kijkboeken/studies/publicaties aan: meer fraaie platenboeken dan het resultaat van gedegen wetenschappelijk onderzoek. Maar ik vond dat te makkelijk. Wie een beetje onderzoek doet, moet meer context en geschiedenis uit dit soort objecten, vooral uit de albums, kunnen halen. We konden toch beginnen het niet-anonieme materiaal in de Nederlandse collecties op een rij te zetten en pogingen te doen om bij de anonieme albums een naam, een plaats en een tijd te reconstrueren? Zo zou er geleidelijk aan een patroon zichtbaar worden dat meer inzicht bood in het fenomeen.

De amateurfotografie van Piek

Allereerst begon ik het Amsterdamse Kodakalbum nader te onderzoeken. De foto’s zelf vertellen al heel veel. Het grachtenhuis, een koets met paarden, buitenlandse reizen, een buitenhuis en overdadig gedekte tafels: alles wijst op welvaart en aanzien. De familie met de Kodakcamera was rijk: ze moest wel behoren tot het Amsterdamse patriciaat of zakenleven dat in de late negentiende eeuw in de huizen langs de grachten woonde. De foto die vanuit de huiskamer naar de overkant van de gracht kijkt, bevatte uiteindelijk de sleutel tot de identificatie. Met het profiel van de huizen wist Erik Schmitz van het Stadsarchief Amsterdam de precieze locatie te bepalen van het huis van waaruit de foto van het grachtprofiel werd gemaakt. Dat moest wel zijn Herengracht 258 in Amsterdam. Het boek Vier eeuwen Herengracht dat per huis de geschiedenis van opeenvolgende bewoners beschrijft, leert dat in 1889 Willem Frederik Piek Sr. en zijn vrouw en kinderen met een reeks bedienden dit pand bewoonden. En een nog levende achterkleinzoon kon bevestigen: het Kodakalbum was inderdaad van de Pieks van de Herengracht. Piek senior was commissionair en handelaar in effecten. Hij deed vaak zaken in de Verenigde Staten en handelde in de lucratieve Amerikaanse spoorwegobligaties- en aandelen (daar was de Amerikaanse connectie!). Daar kocht Piek het album Scraps en de Kodak No. 2, waarmee de ronde foto’s met een diameter van 9 cm werden gemaakt. Op één van de foto’s heeft Piek senior ook nog het oermodel Kodak – de allereerste – in zijn hand. Daarvan werden er wereldwijd hooguit 5200 verkocht. Ook was interessant dat zoon Wim, de jongen die de foto’s van een trip naar de Oostzee en Berlijn maakte, leerling was aan de Openbare Handelsschool in Amsterdam. Anton Philips was zijn klasgenoot. Wim junior werd uitein­delijk de directeur van de Holland Amerikalijn. Later zouden er uit de leerlingenlijsten van de Handelsschool meer amateurfotografen tevoorschijn komen.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Wilhelmina, Koningin der Nederlanden (1881-1962). Noordzee, c. 1907, uit het album 1907. KONINKLIJKE VERZAMELINGEN, DEN HAAG

Een duik in het verenigingsleven

Piek was nu één geïdentificeerde amateurfotograaf met een verhaal en met een context, maar wie waren de anderen? Hoe zag de populatie van de amateurs van de late 19de eeuw eruit? Vanaf 1887 werden er eerst in Amsterdam en later in andere Nederlandse steden verenigingen voor amateurfotografie opgericht. Dit waren serieuze verenigingen met serieuze leden met een sterke neiging naar kunstfotografie. Er was ballotage, er waren wedstrijden en competities, en er waren nationale en internationale tentoonstellingen met landschapjes en genrestukjes. De verenigingsamateurs hielden soirees en lezingen, ze wisselden technische informatie uit en ze gingen op excursie. Het waren vooral mensen uit de bovenlaag: bankiers, zakenlieden, ingenieurs en hoogleraren, en – opvallend – hun zonen. De vrouwen waren voor 1900 nog sterk in de minderheid. Op de groepsportretten zien we – zo lijkt het – een stel bedaagde heren met bolhoeden, en met bolknak en glaasjes advocaat in de hand. De namen die telkens weer terugkomen in de artikelen en recensies in de fototijdschriften Lux en Tijdschrift voor Photographie zijn Bram Loman Jr., Joan Guy de Coral, Adriaan Scheltema Beduin, Ignatius Bispinck, Chris Schuver, Hein van der Masch Spakler, C.A.P. Ivens, de gynaecoloog Gerrit van der Mey en de dermatoloog Dirk van Haren Noman. De vereniging was de serieuze voorkant, maar daarachter ging een hele wereld van bedrijvigheid en, wat we nu ‘start-ups’ zouden noemen, schuil. Nader onderzoek leerde dat verschillende van de genoemde (bestuurs) leden van de eerste verenigingen in deze jaren een camerafabriek of een detailhandel in fotografie-artikelen begonnen. Ze hadden dus zakelijke belangen in de fotografiesector, die op dat moment sterk groeide en voor ondernemers alle mogelijkheden bood. Dat gegeven maakte dat ik nu drie belangrijke groepen kon onderscheiden: de verenigingsfotografen; de detailhandelaren/ondernemers onder de verenigingsfotografen én de grootste groep: de ongebonden vaak nog verborgen doe-het-zelvers, zoals de Pieks. De laatsten waren de press the button-amateurs, die zich een handcamera aanschaften en weinig artistieke aspiraties hadden. Ook kreeg ik uit de jaarboekjes en fototijdschriften een beter inzicht in de groei. In 1890 telde Nederland rond de 1000 amateurfotografen, in 1895 waren het er al 5000 en in 1898, het jaar van koningin Wilhelmina’s inhuldiging, waren het er rond de 15.000, om in de 20ste eeuw een echt massamedium te worden. Ik begon een lijst samen te stellen van elke amateur van vóór 1900 die ik kon vinden via foto’s, albums of uit de tijdschriften. Dat waren er uiteindelijk 1080, waarvan slechts 60 vrouwen. Onder hen was ook koningin Wilhelmina zelf: een fervent en talentvol amateurfotografe. Een van haar albums – ze worden bewaard in de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag – is op de tentoonstelling in het Rijksmuseum te zien.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Bram Loman Jr. (1868-1954). Speciaal detective model van de reflexcamera, ontworpen door en in bezit van Loman, gemaakt van hout, met sleutels om de sluiter en sluitertijd te bedienen, voorzien van Taylor, Taylor & Hobson lens c. 1889. LEIDEN, RIJKSMUSEUM BOERHAAVE
Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Carl Emil Mögle (1857-1934). Portret van Bram Loman Jr., 1891-1892. UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK LEIDEN, SPECIALE COLLECTIES

Loman en Schuver

Opvallend en zeer interessant was verder dat de actieve oprichters en verenigingsleden piepjong waren. Ze waren niet ouder dan 18, 19, 20 jaar. Het waren jonge stedelingen met belangstelling voor nieuwe technologie. Bram Loman Jr. was een van de belangrijkste. Hij was de centrale figuur in de Amsterdamse fotografiewereld. In 1887 beijverde hij zich met zijn vrienden Van der Masch Spakler en Guy de Coral voor de oprichting van de amateurfotografie-vereniging Amsterdam (AFV). Loman volgde in het jaar daarop een opleiding bij Professor Hermann Vogel aan de Technische Hochschule in Berlijn. Terug in Amsterdam vestigde hij zich als camerareparateur. Op negentienjarige leeftijd ontwierp en bouwde hij de bekroonde Reflexcamera, de voorloper van de spiegelreflexcamera zoals we die als de meest gebruikte camera van de twintigste eeuw kennen (op de tentoonstelling in het Rijksmuseum is Lomans eigen exemplaar van de Reflex te zien). Met zijn vriend Schuver richtte hij Loman & Co op, een camerafabriek annex detailhandel in de Warmoesstraat in Amsterdam en samen zetten ze het tijdschrift Lux op, dat ze vooral als reclame voor de zaak beschouwden. Schuver werd eindredacteur en onvermoeibaar schreven Loman en Schuver dit veel­gelezen blad vol. Later in de jaren negentig werd Lux het verenigingsblad niet alleen van de AFV Amsterdam, maar ook van andere verenigingen in het land. De jongemannen hielden behalve van fotograferen ook van fietsen. Loman was een bekend fietsjongleur. In De Kampioen werd zijn behendigheid op de Hoge Bi geprezen. Ook Johan Huijsser, met zijn broers tegelijk lid van de Haarlemse Amateur Fotografen Club (HAFC) en van de Amsterdamse AFV, was meervoudig Nederlands fietskampioen. Hij leidde daarnaast het familiebedrijf, was de bibliothecaris van de AFV en hij won prijzen met zijn tentoonstellingsfoto’s. Guy de Coral was de huisfotograaf van de ANWB en bouwde later in de jaren negentig een imperium op van fotozaken in Nederland en Nederlands- Indië. Datzelfde gold voor Kees Ivens, de vader van filmer Joris Ivens. De fotohandels van CAPI (naar zijn initialen) waren tot in de jaren tachtig van de twintigste eeuw een begrip in Nederland. De jongeren kenden elkaar van het fietsen en van de in 1883 opgerichte ANWB. Verschillende van hen waren actief in de beide verenigingen, zoals de eerste AFV-voorzitter Adriaan Scheltema Beduin (zijn broer was de bekende fietskampioen P.W. Scheltema Beduin), die tevens vicevoorzitter van de ANWB was. De Kampioen bleek bij mijn onderzoek nog een belangrijke bron. Het fietsen en fotograferen waren in de late negentiende eeuw een interessante tandem en kwamen beide voort uit eenzelfde belangstelling onder rijke, stedelijke jongeren voor de nieuwste gadgets en nieuwste modellen en voor nieuwe technologie. De foto-industrie werd er groot en rijk mee.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
J.J.M. Guy de Coral (1868-1930) en een van zijn assistenten. Groepsportret, waarschijnlijk gemaakt met een draadontspanner. Van links naar rechts Guy de Coral achter de camera, Adriaan Scheltema Beduin en Jules J. Kamp staand, uiterst rechts Petrus Willem Scheltema Beduin, Hilversum, 18 september 1887. DEN HAAG, ANWB HISTORISCH ARCHIEF

De zegen van de handcamera

Wat maakte de doe-het-zelffotografie bijzonder en aantrekkelijk? Een druk op de knop en er was al een beeldje, geen ingewikkelde handelingen of vuile handen in de donkere kamer. De foto was bijna direct klaar. De camera was altijd bij de hand. Men kon vanuit de hand fotograferen, vooral buiten waar het volle leven was. Deze fotografie was strikt persoonlijk. In het envelopje dat van de fotohandel terugkwam zaten kleine foto’s: losse beeldnotities om herinneringen bij op te halen. De foto’s waren snel gemaakt en vol beweging: soms dynamisch, rauw, ongepolijst, en daardoor vol leven.

De kwaliteit van het informele lijkt van belang: de fotograaf is altijd een bekende. Men fotografeerde vaak groepjes, de kinderen, familieleden en vrienden bij uitjes, vakanties, tochtjes, en feesten. De huiskamer, de bedienden in de tuin, de huisdieren, het was de iconografie van alledag die in de doe-het-zelffoto-grafie besloten lag. De fotograaf keek niet van een afstand naar de voorstelling, maar bewoog zich met de camera voor de buik te midden van mensen en situaties. Een foto werd niet op ooghoogte gemaakt zoals een vakfotograaf dat met camera op statief zou hebben gedaan. Die had het liggende landschapsformaat gekozen en zou sterk leunen op het centraal perspectief. Dat bood overzicht en duidelijke herkenningspunten en een strak geregisseerd beeld. Maar met de handzame, wendbare en makkelijk te bedienen camera’s kon het in de ruimte voor het eerst alle kanten op: je kon de lens naar de lucht richten, naar de grond, of de camera scheef houden.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Henry Pauw van Wieldrecht (1863-1912). Zelfportret op de Hoge BI, c. 1886, uit een album samengesteld door de fotograaf. GEMEENTEARCHIEF ZEIST

Op pad met de camera

In de late 19de eeuw sneuvelden dus veel van de regels, wetten en conventies waarmee de fotografie het tot dan had gedaan. Kunstenaars, zij werden later peintre-photographe genoemd, waren de eersten om de kwaliteiten van de handcamerafotografie te zien en ermee aan de slag te gaan. Zo introduceerde de Amsterdamse kunstenaar George Hendrik Breitner rond 1890 iets nieuws: het rondlopen met een camera en het schijnbaar zonder regie opvangen van indrukken en mensen in beweging. Hij maakte er zijn dagelijkse bezigheid van. Zijn domein was de grote stad waar werd gebouwd en gebroken en waarin het leven in volle gang was. Hij slenterde over straat, stuitte op een bouwput en maakte een opname van werklieden die zitten en liggen te schaften. Hij legde mensen, situaties en details vast zoals we maar zelden zien op foto’s voor deze tijd. Het perspectief wisselt telkens. Een situatie wordt van alle kanten, ook van boven, bekeken. Het kader is niet de omlijsting van het beeld, maar snijdt vaak dwars door de figuren heen. Dit suggereert leven en levendigheid: een wereld die ook buiten beeld doordraait. Zo bracht Breitner dynamiek in de fotografie, of een element dat we later filmisch zijn gaan noemen. De voorstelling loopt door, en de figuranten zijn alweer een paar straten verder. Breitner zelf bleef de onzichtbare waarnemer. Hij participeerde niet, maar geef de beschouwer wel het gevoel dat hij deelneemt aan de levendige straatscènes die schijnbaar achteloos zijn vastgelegd. De beschouwer voelt zich onderdeel van de stad en het leven en plein air. Hij ervaart bovendien het licht van de vroege ochtend of de avond dat over de stad valt, of sensaties van koude of warmte. Die vluchtige indrukken zien we precies zo beschreven in de literatuur van dat moment. In december 1887 publiceerde de jonge schrijver Lodewijk van Deyssel – bevriend met Breitner – zijn geruchtmakende roman Een liefde. Zijn streven om directe gevoelens en ervaringen als in een monologue interieur onverbloemd op te schrijven, komt heel dicht bij het op fotografische manier vastleggen van momenten uit het (stadse) leven. Met Breitner waren er meer kunstenaars die de fotografie ontdekten zoals Willem Witsen en Isaac Israëls. Witsen maakte rauwe portretclose-ups van de vriendenkring van de Tachtigers.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Eva Penninks ex libris met een tekening van haar Leica-camera, 1936-1938. AMSTERDAM, RIJKSMUSEUM

Vindplekken van vroege amateurfotografie

Naast de eerdergenoemde albums en foto’s was er natuurlijk nog veel meer uit deze periode in de Nederlandse collecties te vinden: in de fotocollectie van het Rijksmuseum bevinden zich vele honderden albums, net als in het Nederlands Fotomuseum, in de Universiteitsbibliotheek Leiden, in het Nationaal Archief en in de Stadsarchieven van Amsterdam en Rotterdam. Een belangrijk vroeg album van Henry Pauw van Wieldrecht wordt bewaard in het Zeister Archief. Samen vertellen deze objecten over de enorme vlucht die de amateurfotografie na 1890 nam. De assistent van de gouverneur van Suriname, Théodore van Lelyveld, maakte al in 1895 een prachtig fotodocument van het leven in de toenmalige kolonie als een ware fotojournalist avant la lettre. Veel meer vrouwen werden actief als amateurfotograaf: zoals de Rotterdamse fabrikantenvrouw Sara Lydia Stahl-Van Hoboken rond 1900, de Leidse fabrikantenvrouw Katharina Behrendt rond 1910 en in de jaren ’20 en ’30 de Amsterdamse modejournaliste Eva Pennink. Ook ingenieurs namen de camera mee op reis, zoals Wouter Cool Jr. naar Amerika, of olie-explorer Henk ter Keurs naar Zuid-Amerika. Onder deze huis, tuin en keukenamateurs waren vele talenten. Hun foto’s kunnen wedijveren met die van de bekende fotografen van de 20ste eeuw.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert
Théodore van Lelyveld (1867-1954). Groep Saramaccaners behorende tot het Marronvolk, Mahokreek, Suriname, 19 oktober 1895. AMSTERDAM, RIJKSMUSEUM

Vooral de honderd bij het Nederlands Fotogenootschap aangesloten instellingen en archieven hebben in de loop der tijd onderzoek gedaan deze ‘verweesde’ albums en foto- of negatievensets waarvan er veel in het Nfg-blad Fotografisch Geheugen zijn beschreven én toegeschreven. Deze albumsets heb ik beschouwd als ‘oeuvres’ van Nederlandse amateurfotografen die we bij naam kennen. In mijn studie heb ik in Nederlandse collecties 168 van dergelijke oeuvres van amateurs in een korte entry opgenomen en in chronologie in een ‘voorlopige’ lijst gezet. Deze lijst loopt door tot 1940 en – work in progress – kan de komende jaren worden aangevuld met nieuwe toeschrijvingen, vondsten en schenkingen voor het Nederlands cultureel erfgoed.

Focus-magazine-iedereen-fotografeert

Everyone a Photographer
The Rise of Amateur Photography in the Netherlands 1880-1940
auteur: Mattie Boom
design: Irma Boom
ISBN 978 94 6208 477 3
prijs: € 39,95
uitgever: Rijksmuseum Amsterdam
hardcover, Engelstalig, 240 pagina’s

De publicatie Everyone a Photographer. The Rise of Amateur Photography in the Netherlands, 1880-1940 is mogelijk gemaakt door Familie Van Heel Fonds/Rijksmuseum Fonds, Prins Bernhard Cultuurfonds/Wertheimer Fonds en Marque Joosten & Eduard Planting Fonds/Rijksmuseum Fonds.

Van 15 feb t/m 10 jun 2019 was de tentoonstelling Iedereen Fotografeert te zien in het Rijksmuseum Amsterdam.
rijksmuseum.nl

Podcast

In het Rijks is een podcast van het Rijksmuseum waarin conservatoren, experts en kunstenaars bijzondere verhalen over kunstwerken en hun makers vertellen. In de aflevering: Iedereen fotografeert ondervraagt Wilfried de Jong conservator Mattie Boom over haar zoektocht langs honderden oude fotoalbums, duizenden foto’s én… stapels oude edities van het ANWB-ledenblad ‘De Kampioen’. Beluister de podcast hier.

Geef een reactie