
Een meisje dat brutaal haar tong uitsteekt, nozems op de Nieuwendijk, jonge vrouwen in minirokken. Van Amsterdam tot Cuba en Japan zocht Ed van der Elsken (1925-1990) dezelfde ongepolijste energie.
Andere straten, een andere tijd – en toch herken je het. Van der Elsken is een van de meest geliefde Nederlandse fotografen van de twintigste eeuw. Hoe kwamen zijn beelden tot stand? En wat liet hij liggen, soms wel jaren, voordat hij tevreden was? De tentoonstelling Ed van der Elsken. Up Close neemt je mee naar zijn werkkamer. Naast zijn bekendste foto’s zie je ook zijn handgeschreven notities, contactafdrukken vol rode strepen, experimenten uit de donkere kamer en nieuw ontdekte boekdummy’s. Verspreid over negen zalen volg je zijn loopbaan van zijn eerste reportages van begin jaren vijftig tot het maken van zijn laatste fotoboek, eind jaren tachtig. Je ziet hem zoeken, schaven, opnieuw beginnen. Lang nadenken over een boek dat er soms wél en soms níet kwam. In filmfragmenten hoor je hem zelf praten. Vrijgevochten, eigenzinnig, soms ook twijfelend. Wat overblijft is het beeld van maker die niet zomaar registreerde wat er gebeurde, maar steeds opnieuw zocht naar een vorm die paste bij wat hij voelde. De tentoonstelling en het bijbehorende boek zijn vormgegeven door Irma Boom Office.
Ed van der Elsken. Up Close
t/m 13 sep | Rijksmuseum, Museumstraat 1, Amsterdam; www.rijksmuseum.nl

Beknopte boekenlijst
Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés, 1956, De Bezige Bij
Bagara, 1958, De Bezige Bij
Jazz, 1959, De Bezige Bij
Sweet Life, 1966, De Bezige Bij
Eye Love You, 1977, Unieboek BV – Van Holkema & Warendorf
Amsterdam! 1979, Unieboek BV – Van Holkema & Warendorf
Avonturen op het land, 1980, Unieboek BV – Van Holkema & W.
De ontdekking van Japan, 1988, Fragment Uitgeverij
Once Upon a Time, 1991, Fragment Uitgeverij
De verliefde camera, 2017, Hannibal Books i.s.m. SMA
Lust for Life, Ed van der Elsken in kleur. 2019, Lecturis
Feest, 2020, Rijksmuseum | Nederlands Fotomuseum
Ed van der Elsken. Up Close, 2026
Rijksmuseum i.s.m. nai010 uitgevers, tekst: Hinde Haest, ISBN 9789462089877, NL/Eng., € 39,95
Hinde Haest over Ed van der Elsken
Hinde Haest is conservator fotografie van het Rijksmuseum en de schrijver van het boek Ed van der Elsken. Up Close. De afgelopen jaren heeft ze uitgebreid de nalatenschap van de fotograaf bestudeerd.
“Sinds 2019 beheren het Rijksmuseum en het Nederlands Fotomuseum het privé-archief van Ed van der Elsksen. Het Rijksmuseum beheert de meer dan 8000 afdrukken en boekdummy’s uit zijn werkarchief en dit alles is gecatalogiseerd en gedigitaliseerd. Het NFM beheert 3000 contactvellen. De kleurendia’s, die grootscheeps zijn gerestaureerd, documentatie en brieven werden al eerder aan het NFM overgedragen. Dit hele archief heb ik bestudeerd, daarnaast heb ik ook gekeken naar het werk dat in andere collecties zit, zoals onder andere in het Stedelijk Museum en de Universitaire Bibliotheken Leiden. Zij zijn, net als het Nederlands Fotomuseum, bruikleengever voor de tentoonstelling. Het was nu voor het eerst mogelijk om het archief van Van der Elsken in zijn totaliteit te bestuderen en te ontsluiten, waarbij je dicht bij zijn motivaties komt op verschillende momenten in zijn carrière.

Het privé-archief was een wat georganiseerde chaos, een beetje zoals de maker zelf. Het lag los in dozen, wel op thema, maar niet chronologisch. Er zaten allerlei stempels en dateringen op, maar die klopten niet altijd, dus het was nog best een puzzel. Eén van de grote verrassingen in het archief is de allereerste dummy voor het boek Sweet Life (1966), het verslag van zijn wereldreis van 1959/1960. Hij heeft er eindeloos aan gesleuteld totdat 5,5 jaar later de New Yorkse uitgeverij Harry N. Abrams het risico durfde te nemen om het boek uit te geven. Nadat deze overstag ging verscheen het boek gelijktijdig bij meerdere uitgevers, waaronder De Bezige Bij.
De Universitaire Bibliotheken Leiden bezit latere dummy’s. Als je die naast deze eerste dummy legt kun je bijna reconstrueren hoe dit meesterwerk uiteindelijk tot stand is gekomen. Ongepubliceerd materiaal is er ook veel, zoals 135 afdrukken uit een dummy voor Feest dat uiteindelijk is gepubliceerd door het Rijksmuseum en Het Nederlands Fotomuseum (2020) en waarvan ik niet begrijp dat hij het nooit heeft uitgegeven. Het ademt echt die vrijheid, recalcitrantie en non-conformiteit van Amsterdam in het begin van de jaren zestig.”
Spontaan, maar doelgericht
“Van der Elsken staat bekend als een spontane straatfotograaf, die in de volle vaart van het leven dat aan hem voorbijtrok, zijn foto’s maakte. Maar bij de bestudering van het archief zie je dat de ideeën, die hij al in de late jaren vijftig, vroege jaren zestig opschrijft, door zijn hele oeuvre lopen. Hij kon vrij lang aan een project werken. Vaak was het eindresultaat volkomen anders dan hij ooit voor ogen had, maar hij bleef wel trouw aan bepaalde onderwerpen: het dagelijks leven van gewone mensen van over de hele wereld én in zijn geboortestad Amsterdam, jeugdcultuur en maatschappelijke bewegingen van die periode, maar ook lichamelijkheid, liefde en lust. Aan de ene kant was hij dus spontaan, associatief en intuïtief in zijn werkwijze, maar ook heel consistent en doelgericht in zijn onderwerpkeuze. Dat geldt ook voor zijn overtuigingen. De sociaalmaatschappelijke kwesties van zijn tijd lopen als een rode draad door zijn oeuvre.

Eigenzinnige keuzes
“Hij leefde om te werken en werkte om te leven, en hij was enorm productief. Zijn fascinatie voor bepaalde onderwerpen bleef, maar de uitingsvormen konden erg wisselden. Wanneer iets zijn handelsmerk werd, was hij niet bang om dat los te laten en iets nieuws te gaan doen. Bijvoorbeeld de grafische zwart-witten van Een Liefdesgeschiedenis in Saint-Germaindes-Prés en Sweet Life, waarna hij de focus verlegde naar kleur. Dat komt duidelijk uit het archief naar voren. Daarnaast was hij altijd al met verschillende media gelijktijdig bezig. Hij fotografeerde bijvoorbeeld vanaf de vroege jaren vijftig al in kleur, alleen werkten tijdschriften en uitgeverijen voornamelijk nog in zwart-wit. Pas toen tijdschriften als Avenue eind jaren zestig veel kwalitatief kleurenwerk gingen brengen, kreeg zijn kleurenfotografie een enorme impuls.
In 1955 begon hij al met filmen. Zijn eerste opdrachten voor de VPRO mislukten min of meer, want hij was helemaal niet onderlegd. De moderne technologieën om het leven mee vast te leggen fascineerden hem, of het nu stilstaand of bewegend beeld was. Eén van de redenen waarom hij zich in de jaren zestig meer op film ging toeleggen, was de moeizame totstandkoming van zijn boek Sweet Life. Toen de publicatie eindelijk verscheen, nam hij met veel bombarie afscheid van de fotografie. Hij zou stoppen met fotograferen en zich alleen nog maar op film toeleggen. Dat is natuurlijk niet gebeurd, maar het geeft wel aan hoe dergelijke ontwikkelingen hem motiveerden om bepaalde keuzes te maken.”

Verhalende vormgeving
“Zijn eerste twee boeken, Een Liefdesgeschiedenis in Saint- Germain-des-Prés (1956), zijn bekende fotoroman over groep jonge bohemiens in Parijs en Bagara (1958), over zijn reis door Centraal-Afrika, maakte hij samen met ontwerper Jurriaan Schrofer. Daarna deed hij de vormgeving alleen, voor Jazz (1959) en Sweet Life (1966). Hij werd steeds vrijer en associatiever in zijn vormgeving. In Bagara plaatste hij meerdere opnames van een ceremoniële dans aan elkaar op een dubbele pagina. Daarmee creëerde hij een nieuw wervelend beeld dat de dynamiek van dans en muziek van dat moment veel beter uitdrukte. Die opmaak heeft hij deels met Schofer ontwikkeld, maar hij voerde dat tot in het extreme door, waarbij meerdere foto’s bijna één geheel werden. Dit was een weloverwogen keuze die niet alleen met esthetiek te maken had, maar ook inhoudelijk en verhalend was. Er lagen ook wel, met name bij Sweet Life, ideologische keuzes aan ten grondslag, als een visueel commentaar op wat er in de wereld gebeurde. Hij is doorgebroken met Een Liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés. Zo’n beeldroman, het gebruiken van documentaire foto’s om een al dan niet fictief verhaal te vertellen, was nieuw. Toch deed hij dat daarvoor ook al, in de tentoonstelling tonen we een al eerder gemaakte serie van een straatperformer die door de politie wordt weggestuurd. Die verhalende benadering met beeldsequenties was al vroeg aanwezig in zijn werk.”
Interactie
“Ook al zie je hem niet in beeld, je ziet vaak aan de reactie van de geportretteerde dat er een vorm van interactie is. In zijn films hoor je zijn stem en zie je hem soms ook letterlijk in beeld. Waar hij in het begin nog wat op de achtergrond bleef en een beetje als een fly on the wall om zijn onderwerp heen cirkelde zie je dat hij naarmate de jaren verstrijken steeds directer contact zoekt. In Een fotograaf filmt Amsterdam (1982) bijvoorbeeld is interactie bijna hoofdonderwerp van de film. Van flirten tot uitdagen, waar leuke, maar soms ook vrij expliciete reacties op terugkomen. Dat werd ook een beetje zijn handelsmerk.”

Trendsetter
“Hij was duidelijk een voorloper. Hij voorzag dat de beeldcultuur die voor ons nu zo vanzelfsprekend is, zo’n grote rol zou gaan spelen. Op een gegeven moment wilde hij een ‘Brotherhood of Rather Honest Reporters oprichten’, met een soort bibliotheek waaraan iedereen footage kon bijdragen. Dat kwam er nooit van, maar het geeft wel aan dat hij al voor de komst van internet en sociale media geloofde in open source en in een democratische manier van documenteren van het dagelijks leven. Hij geloofde in de kracht van fotografie en film om zaken voor het voetlicht te krijgen of dat nu belangrijke maatschappelijke onderwerpen waren of alledaagse autobiografische. De film Bye (1990), het verslag van zijn terminale ziekteproces, is het meest radicale voorbeeld van deze openhartigheid.
Ook bij sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen was hij er vroeg bij. In het archief zitten schrijfsels en een manifest die erg anarchistisch en provo-achtig aandoen, maar tien jaar voordat Provo überhaupt werd opgericht geschreven zijn. Daarin wil hij de politiemacht met bloemenkransen uitrusten in plaats van met knuppels. Hij was aanwezig bij de provodemonstraties, bij het bouwvakkersoproer en bij rellen op Koninginnedag, soms demonstreerde hij mee, maar liever documenteerde hij wat er gebeurde, in Amsterdam, maar ook in de rest van de wereld. In zijn jonge jaren had hij uitgesproken politieke overtuigingen; hij was overtuigd socialist, zoals veel kunstenaars vlak na de oorlog. Later is hij daarvan afgestapt, omdat hij begon te twijfelen. Hij kende veel mensen die provo waren of dolle mina, maar zelf hij stond altijd wat ambivalent tegenover de politiek en georganiseerde protestbewegingen, desondanks schurkte hij er wel altijd dicht tegenaan.”

Samenwerking
“Van der Elsken profileerde zich altijd als, zijn woorden, een ‘eenmanszaak’, maar dat was hij natuurlijk niet. In de jaren vijftig maakte hij samen met schrijver Jan Vrijman veel reportages. Hij werkte ook samen met televisiemakers en hij kende veel fotografen. Bovendien was hij lid van de illustere vakvereniging GKf. Wanneer hij op reis was paste Eddy Postuma de Boer op zijn vogeltjes, en hij drukte ook zijn reisfoto’s af voor de diverse tijdschriften. Hij was, net als veel schrijvers en kunstenaars, lid van De Kring. Karel Appel was een goede vriend, evenals Simon Vinkenoog. Hij stond midden in de stad en de Nederlandse scene van die tijd. Toen hij in 1971 op het platteland in Edam ging wonen, was dat voor hem een periode van introspectie. Niet alleen de scheiding met Gerda leidde ertoe dat hij zich naar binnen keerde, hij verloor ook een beetje het contact met zichzelf en zijn beweegredenen; daar schreef hij ook over. Het maakte dat hij zijn lens steeds meer op zijn directe omgeving richtte, op de dieren en het land, daar zijn ook films en boeken uit voortgekomen. Tegelijkertijd reisde hij nog steeds de wereld over voor reportages voor Avenue.”

Vrouwen
“De vrouwen in zijn leven waren belangrijk voor zijn carrière. Hij ontmoette Ata Kandó in 1950 in de donkere kamer van persagentschap Magnum Photos in Parijs, waar ze allebei werkten. Na een half jaar nam hij ontslag en trok hij bij Ata en haar kinderen in. Daardoor kon hij zich op zijn vrije werk gaan richten en de straat op gaan, vaak met de Leica van Ata. Zij heeft dat dus ten dele gefaciliteerd, maar ze heeft er ook inhoudelijk aan meegewerkt, want er bestaan foto’s waar je haar in zijn rommelige donkere kamer bezig ziet met afdrukken uit Een liefdesgeschiedenis. Eén jaar nadat dit boek uitkwam gaf zij zelf de beeldroman Droom in het woud uit, waarin haar kinderen de hoofdrol spelen. Het kan dus best zijn dat ze elkaar daarin geïnspireerd hebben. Ata Kandó was een zeer getalenteerd fotograaf en later eveneens succesvol.
Met Gerda van der Veen maakte hij films en televisie items, op wereldreis en dichter bij huis, hun eigen leven incluis. Gerda hielp met name bij het geluid, maar voerde soms ook de camera. Gedurende hun lange wereldreis van 1959/1960 maakten ze items voor de AVRO die maandelijks werden uitgezonden op televisie. In de tentoonstelling tonen we fragmenten van een onafgemaakte filmcompilatie van die wereldreis samen met Sweet Life, zodat je een beeld krijgt hoe ze reisden en werkten. Gerda hanteerde soms ook de camera, dan zie je hoe Van der Elskens negatieven hangen te drogen in de hut van het schip. Onderweg maakten ze ook reportages voor tijdschriften en zie je Gerda driftig tikken op een typemachine. Na hun scheiding is Gerda ook fotograaf geworden.
Anneke Hilhorst, met wie hij als laatste trouwde, heeft de montage gedaan voor veel films en verzorgde ook wel het geluid en de cameravoering. Ook werkte ze mee aan een aantal reisrapportages en retoucheerde ze zijn afdrukken. Daarnaast heeft ze een belangrijke rol gespeeld in het beheren van zijn nalatenschap, wat ze dertig jaar lang heel liefdevol en vakkundig heeft gedaan.”

Erkenning
“Begin jaren vijftig pikte de Nederlandse pers zijn werk hier en daar op, maar het hield niet over. In Amerika ging het voortvarender. In 1953 was hij onderdeel van de groepstentoonstelling Post-War European Photography in het MOMA, gecureerd door Edward Steichen en in 1955 kreeg hij zijn eerste solotentoonstelling in the Art Institute of Chicago, waar Peter Pollack de curator was. Toen van der Elsken in 1955 vanuit Parijs terugkeerde naar Nederland, was hij vastbesloten om meer op de voorgrond te treden en begon hij allerlei kranten en tijdschriften aan te schrijven. Zo stuurde hij op uitnodiging van de redactie, een brief naar tijdschrift Focus, waarin hij van leer trekt tegen de Nederlandse fotografie en het conservatisme van de Nederlandse fotoscene. (Dit artikel kun je hier lezen). Daarbij nam hij geen blad voor de mond. En dat werkte, langzamerhand kreeg hij meer mediaaandacht en Een liefdesgeschiedenis was echt het keerpunt. In 1959 kreeg hij zijn eerste museale presentatie in het Stedelijk Museum Schiedam.
Ook in Japan was hij vroeg bekend, al tijdens zijn leven kreeg hij er veel tentoonstellingen. Tijdens zijn wereldreis met Gerda ging hij voor het eerst naar Japan en hij bleef er altijd terugkomen. Belangrijke Japanse fotografietijdschriften als Asahi Camera en Camera Mainichi brachten zijn werk al heel vroeg en veelvuldig. Hij verscheen er ook een aantal keer op de nationale televisie. Zijn oeuvre vond weerklank bij de jongeren in Japan die ook bepaalde vrijheden en individuele expressies probeerden te bevechten die je erg in zijn werk vindt. Hij was er echt een soort ster, er was zelfs een café naar hem vernoemd.”






