Max Koot | De vergankelijkheid van een archief

0
Max Koot
Het showballet van de nachtclub ‘ La Nouvelle Eve’, maart 1956 ©Max Koot

Een fotoarchief: iemand moet er na je dood voor willen zorgen, en digitaliseren is een methode om het compact te bewaren en om het vergaan van het originele materiaal minder belangrijk te maken. Maar of een fotograaf nu beroemd was of niet, er is geen enkele zekerheid dat iemand zich over diens archief zal ontfermen. Eduard de Kam deed dit voor het archief van Max Koot.

Max Koot
Zwervers in het na-oorlogse Parijs, de vrouw links stond bekend als ‘het kattenvrouwtje’; er is een hele serie aan haar gewijd. ©Max Koot

Voor mij, en hopelijk voor veel lezers, staat de naam Max Koot nog steeds ergens voor: een zeer gewaardeerde portretfotograaf uit Den Haag. Ik vond het dan ook leuk dat ik via Spaarnestad Photo de opdracht kreeg om uit zijn negatievenarchief een selectie te maken en die te digitaliseren. Max Koot werd op 27 maart 1917 geboren in Cimahi op West-Java. Vlak na de Tweede Wereldoorlog heeft hij in Parijs het vak van fotograaf geleerd bij studio Harcourt. Uit die periode zijn resten van het archief opgedoken. Op sommige dozen staat ‘Bewaren’, wat erop wijst dat er kennelijk ook negatieven weggegooid werden. En een groot deel van zijn foto’s is ondergebracht bij andere archieven: bij het archief van het Koninklijk Huis en het Nationaal Archief. De foto’s in deze Harcourt-verzameling breng je niet snel in verband met Max Koot, maar ze laten wel een bijzondere combinatie zien van onderwerpen uit het Parijs van die tijd. Zo zijn er series over zwervers en daklozen, soms met kinderwagens vol spullen die ze kennelijk konden gebruiken of verkopen.

Max Koot
Madame Hoffman,‘het kattenvrouwtje’, een zwerfster in het Parijs van januari 1956 ©Max Koot

Maar je ziet ook een heel andere kant van Parijs: de nachtclubs. Max had een vriendin die bij een nachtclub danste; zo kon hij binnenkomen bij de bekende plekken zoals Moulin Rouge, Le Crazy Horse Saloon en La Nouvelle Eve. En het bleef niet alleen bij binnenkomen. Ook het fotograferen werd kennelijk weinig beperkingen opgelegd. Ik vind het mooi, hoe die verschillende werelden, die naast elkaar in dezelfde stad bestonden, door dezelfde fotograaf met eenzelfde toewijding zijn vastgelegd.

Max Koot
De danseressen van Moulin R ouge, Parijs, ongeveer 1956 ©Max Koot

Studio
Aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag is Max Koot daarna zijn studio begonnen, waar hij veel mensen fotografeerde. Zoals hij zei: “Als iemand de studio in komt, staat de techniek helemaal klaar, zodat ik mij alleen hoef bezig te houden met het ontdekken van de mens voor de camera.” Want daar ging het hem om, zover zelfs dat een technisch mindere foto, waar iemand beter opstond, het won van de technische perfectie. Hoewel hij vooral bekend stond om zijn portretten – meestal in een stijl die voor sommigen wat formeel aandoet en met een esthetiek die nu denk ik wat achterhaald wordt gevonden – maakte hij ook huwelijksreportages, modefoto’s en foto’s voor bedrijven. Grote bekendheid kreeg hij als vaste fotograaf van het Koninklijk Huis. Daarnaast is er een ruim aantal foto’s van bekende artiesten als Toon Hermans, Wim Kan en nog vele andere minder bekenden. Ook opnames bij filmproducties en bij theatervoorstellingen zijn in het archief te vinden. Koot heeft ook een aantal fotografen opgeleid. Na zijn overlijden op 25 september 1991, bleef de studio bestaan en wordt nog steeds onder zijn naam voortgezet door Danny van der Kamp.

Max Koot
Over het retoucheren vertelde Max Koot: “Ik ben er niet voor om littekens of vlekken te retoucheren, alleen mensen die de foto nodig hebben voor hun vak, zoals acteurs, worden wel eens geretoucheerd.” Bij deze foto zijn duidelijk de wallen onder ogen weggewerkt. Zichtbaar bij deze vergroting, maar op een bescheiden formaat afdruk niet meer te zien ©Max Koot

Geschiedenis
Het mooie van een fotoarchief dat een ruime periode overbrugd is, dat je er een brede geschiedenis in terug kunt vinden. Er is de ontwikkeling van de fotografische techniek. In dit archief zijn nog enkele oude glasplaten op het 9×12 cm-formaat te vinden, evenals filmmateriaal van die afmeting. Het grootformaat krijgt later het nog steeds gebruikelijke 4×5 inch. Welke camera’s gebruikt werden, kun je hier niet uit afleiden. De rest van het archief bestaat uit 6×6 negatieven, de oudste gemaakt met een eenvoudige klapcamera, wat je kunt opmaken uit de paar foto’s waar Koot zelf opstaat met een leren cameratas. Latere negatieven zijn met de Hasselblad gemaakt. Ook zie je kleurenfoto’s verschijnen. Kleurnegatief, maar dan wel met contactafdrukken op zwartwitpapier, vaak samen met de negatieven opgeborgen in dezelfde pergamijnvellen. Daarnaast kun je op foto’s, waarop de studio zelf staat, zien dat er in de eerste jaren met kunstlicht in reflectoren werd gewerkt. Later werden dat uiteraard studioflitsers. Er is ook de geschiedenis van de fotografische stijl. De werkwijze van een fotograaf evolueert, maar de portretten van Max Koot blijven wel herkenbaar. Echter, als je kijkt naar de reclamefoto’s, zie je, dat de foto’s echt zijn gemaakt op een manier, die later niet meer zou hebben gewerkt. Tenslotte is er nog een geschiedenis, die in dit archief voor een groot deel bestaat uit de personen op de foto’s: politici en artiesten, maar gelukkig ook andere foto’s, die meer een tijdsbeeld laten zien. Reclamefoto’s, bijvoorbeeld, voor de telefoonmaatschappij die producten laten zien die niet meer bestaan, en dat in combinatie met een manier van fotograferen die ook niet meer van deze tijd is. Het zijn leuke foto’s; misschien is het wel jammer dat er niet meer zo gefotografeerd wordt.

Max Koot
Een reclamefoto voor de Bell Telephone Company, waarbij de tijdgeest in de reeks opnames wel duidelijk zichtbaar is; de ingewikkelde toestellen met extra knoppen worden samen met een man gefotografeerd; de telefoon, voor de romantiek, alleen met vrouwelijke modellen ©Max Koot

Bewaren
Naast de vraag of er iemand is om voor een fotoarchief te zorgen, is de houdbaarheid van fotografische materiaal een andere bedreiging. Kleurnegatief kan totaal de kleur verliezen. In het archief van Max Koot was ook een serie 4×5 inch negatieven die kapot ging door wat het azijnsyndroom wordt genoemd, of, met een wetenschappelijkere term, acetaatverval. Na de brandbare celluloidfilms kwam de safetyfilm, een kunststof gemaakt van celluloseacetaat. Safetyfilm, omdat ze niet meer brandbaar waren, maar de film was echter wel vatbaar voor een chemische aantasting, waarbij de kunststof verging. Je ruikt dat door het vrijkomen van azijnzuur, vandaar de naam van het syndroom. Bij dit syndroom krimpt de film zelf, de drager van het beeld, maar de emulsie niet. Daardoor vervormt die emulsie en komt, in de ergste gevallen, zelfs helemaal los van de drager. Met de nodige vaardigheid kan die emulsie worden losgeweekt en overgebracht op een nieuwe drager, waarvoor dan tegenwoordig polyester wordt gekozen. Dat zou dan wel min of meer eindeloos goed moeten blijven. Maar het is een kostbaar proces en niet elke foto is dat waard. Bijgaand voorbeeld laat iets gemeens zien, want hoewel het negatief ernstig is aangetast, is het nog steeds een heel mooi beeld. Kennelijk is de kwaliteit van deze Max Koot-opname zo hoog dat die deze aantasting doorstaat. Het speelt natuurlijk mee, dat veel soorten verval van fotografische materiaal er heel spannend uitzien. De beschadiging voegt een verandering toe die geheel door het toeval wordt gestuurd, en dat vinden we vaak mooi. Wanneer het verval verder gaat en bijvoorbeeld een deel van een gezicht verdwijnt doordat de emulsie daar op krult, worden de foto’s echt lelijk.

Max Koot
Dit is een portret van het fotomodel Sophie van Kleef. Heel duidelijk is de woeste structuur te zien, die ontstaan is door het azijnsyndroom. Hoewel de foto als portret daardoor niet meer zo bruikbaar is, vind ik het eindresultaat wel heel spannend ©Max Koot

1000 foto’s
Als het om oude fotografie gaat, is het voor fotoarchieven makkelijk te bepalen of ze het opnemen of niet. Daar is gewoon niet zo heel veel van, dus veel is interessant om te bewaren. Maar naarmate je dichter bij de huidige tijd komt, is er steeds meer fotografie, er zijn meer fotografen en ze fotograferen in de regel ook nog eens veel meer. Vandaar dat er van de hedendaagse fotografie slechts een klein deel een plek kan krijgen bij een van de grote fotoarchieven, landelijk of provinciaal. Toch is er wel een oplossing voor fotografen die, voor een deel, hun werk voor de toekomstige generaties willen bewaren. Stichting 1000 foto’s biedt digitale opslag aan aan iedere fotograaf die beroepsmatig heeft gewerkt. Echter is er geen plek voor al het werk van een fotograaf: maximaal 1000 foto’s kunnen er in digitale vorm bewaard worden, waarbij naast de foto’s ook een biografie van de fotograaf te vinden is.

Dit artikel komt uit de september editie van het magazine. Heb je deze nog niet in huis, bestel hem dan hier voor maar €9,25.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Geef je reactie!
Schrijf hier je naam