Basis-dossier #2: De sluitertijd

0
De jonge hond rende enthousiast op mij af. ISO 1600, F4.0 met 1/500 seconde in avondlicht. De vergroting is gering, deze sluitertijd was daardoor snel genoeg. De autofocus stond op Continu AF om het dier permanent scherp te kunnen blijven volgen. Foto: Mich Buschman

In deze reeks bespreekt Mich Buschman de basisbeginselen van de fotografie. Deze aflevering gaat over de sluitertijd. Wat is het en wat doet het? Wat is een stop? En er is een handig ezelsbruggetje.

De tijdsduur van lichtinwerking op de film of sensor bepaalt hoe licht of donker een opname zal verschijnen. Een korte tijd betekent minder lichtinwerking, een lange meer. De sluiter in de camera regelt die tijdsduur en schermt, wanneer gesloten, het lichtgevoelige materiaal voor invallend licht af.

In de fotostudio is flitslicht het hoofdlicht. De camera stond op een sluitertijd van 1/180 seconde, maar de flitstijd is veel sneller: die belicht dus de opnames. Foto: Mich Buschman

Zo’n sluiter is door de jaren heen op verschillende manieren en op diverse plaatsen in de camera of het objectief toegepast. Aanvankelijk werd hiervoor een lichtdichte lensdop op het objectief gebruikt. Wanneer afgenomen, telde de fotograaf de seconden waarmee de zeer ongevoelige vlakfilm, een glazen plaatje met een lichtgevoelige emulsie daarop, werd belicht. Er kwamen daarna sluiters in de objectieven, de zogenaamde centraalsluiters, die vanuit het midden met lamellen openden en sloten. Weer later verschenen er sluiters van rubberdoek, die horizontaal vóór de film afliepen. Tegenwoordig worden er voornamelijk verticaal aflopende lichtmetalen lamellensluiters gebruikt, waarvan het aflooptraject korter is: 24 mm van boven naar beneden, in plaats van 36 mm van links naar rechts zoals met een rubberdoeksluiter. Dit zijn de afstanden bij een full-framecamera. Er zijn nu ook camera’s met elektronische sluiters die, door de afwezigheid van bewegende lamellen, tot extreem korte sluitertijden komen van wel 1/32.000 seconde. Wanneer met een camera gefilmd wordt, wordt alleen de elektronische sluiter gebruikt.

Sluitertijd
Met een sluitertijd van 1/500 seconde werd de propeller bijna stilstaand weergegeven. Bij veel langere sluitertijden zouden de donkere rotorbladen wegvallen tegen de lichte lucht. Foto: Mich Buschman

Stops
De sluitertijd is dus een lichtdosering in seconden of gedeelten daarvan. We spreken van een ‘korte’ of ‘snelle’ sluitertijd, zoals een 1/1000 seconde, en van een ‘lange’ of ‘langzame’, zoals 4 seconden. Om tot internationale standaarden te komen, is er een lange reeks genormeerde sluitertijden bepaald, van 30, 15, 8, 4, 2, 1 seconde(n) en daarna van ½, ¼, 1/8, 1/15, 1/30, 1/60, 1/125, 1/250, 1/500, 1/1000, 1/2000, 1/4000 en 1/8000 seconde. Dat zijn 19 instelstanden in de zoeker of op de cameramonitor, maar de reeks telt zo 18 stops. Een stop is immers een ‘stap’: van 1/30 naar 1/60 seconde is dus een omvang van één stop. Bij een stop verdubbelt of halveert de hoeveelheid licht die op de film of sensor valt. Pas je bijvoorbeeld de sluitertijd aan van 1/60 naar 1/125 seconden, dan halveer je de belichtingstijd. Hetzelfde geldt bij de diafragma-openingen waarover in het vorige deel gesproken werd. Bijvoorbeeld van F5.6 naar F8 halveert de hoeveelheid licht die doorgelaten wordt. Dit verklaart ook direct de wat vreemde ‘sprongen’ die in op een hele stop lichtverschil uit te komen. Aangezien tegenwoordig het overgrote deel van de camera’s digitaal is, spreken we vanaf nu voor het gemak alleen over de sensor. Uiteraard geldt hetzelfde voor een analoge camera met een filmrolletje. De ingestelde sluitertijd en het gekozen diafragma worden zowel in de zoeker van de camera als op de monitor weergegeven. Let wel: 250 op je monitor of in de zoeker staat voor 1/250 seconde, maar 8” voor 8 seconden. De reeks F-openingen op een objectief is veel korter; bijvoorbeeld vanaf F1.4 tot en met F16. Dat zijn 7 diafragmastops met 8 instelstanden. Tezamen met de lange reeks ISO-gevoeligheden bieden de sluitertijden en diafragmaopeningen heel veel mogelijkheden en combinaties om tot correct belichte, óf juist opzettelijk iets lichtere of donkere opnames te komen.

sluitertijd
Een kickbokstraining, met twee systeemflitsers ingevuld. Het zwakke licht van t.l.-balken was ontoereikend om snelle acties als deze te bevriezen. F4.0 met 1/180ste seconde en ISO 1100. Foto: Mich Buschman

X-tijd en B
Een moderne sluiter bestaat uit twee lamellengroepen en wordt ook wel een spleetsluiter genoemd. Omdat de flinterdunne sluiterlamellen bij extreem snelle sluitertijden beschadigd zullen raken door wrijving, wordt vanaf 1/250 seconde of daaromtrent de opening tussen de lamellen steeds met de helft verkleind. Zo ontstaat een kunstmatige 1/500 seconde. Dat gaat zo door tot de snelste sluitertijd, waarbij de lamellengroepen samen als een zeer smalle spleet vóór de sensor aflopen. Vandaar de naam spleetsluiter. De zogenaamde flitssynchronisatietijd of X-tijd is de snelste sluitertijd waarbij de sluiter nog geheel open is. De feitelijke belichting vindt dan plaats op het moment waarop de twee lamellengroepen het beeldveld geheel vrijgeven. De zeer snelle flitspuls verlicht daarin het gehele sensoroppervlak. Zou je een nog snellere sluitertijd kiezen, dan zie je al snel dat er een donkere balk onderin je opname verschijnt. Dat is de schaduw van de tweede lamellengroep, die van bovenaf al aan het sluiten is. Zo’n lelijke afscherming speelt geen rol bij objectieven met centraalsluiters. Deze komen we in sommige middenformaat objectieven tegen, we gaan daar hier niet verder op in. De B-stand op de camera biedt de mogelijkheid de sluiter (veel) langer open te laten staan dan de maximale sluitertijd van, meestal, 30 seconden. Een elektrische draadontspanner of draadloze afstandsbediening voorkomt dat de camera trillingen van de hand meekrijgt. De T-stand opent programmeerbare sluitertijden.

Door te steunen op de balkonrand was hier een sluitertijd van 1/6 seconde nog mogelijk (The Pearl in Doha). De camera stond op de M-stand, van manual. Foto: Mich Buschman
Sluitertijd
Agua Dulce, Californië; een nachtopname. De lucht leek zwart, maar door een sluitertijd van 30 volle seconden vanaf statief te kiezen werd ook het zwakke restlicht in deze opname zichtbaar. F8.0 met ISO 400 waarborgde een hoogwaardige beeldkwaliteit. Foto: Mich Buschman

Welke sluitertijden benut je?
De brandpuntsafstand van een objectief bepaalt voor een deel met hoe lange sluitertijden je nog met goed gevolg uit de hand kunt fotograferen. Trillingen vanuit de armen en/of het lichaam kunnen als ‘bewegingsof trillingsonscherpte’ zichtbaar worden in de opnames: er ontstaat dan een onscherpe streperigheid, vaak in één richting. Zo’n opname is onbruikbaar voor de meeste vormen van fotografie en video. Bij teleobjectieven zie je dat effect eerder ontstaan dan in opnames die met een groothoek zijn gemaakt. En bij vergrotingen wordt dit fenomeen nóg sterker zichtbaar. Een ezelsbruggetje dat veel gebruikt wordt, is dat je sluitertijd niet langer mag zijn dan het brandpunt van je objectief. Dus fotografeer je bijvoorbeeld met een 50mm-objectief, hou dan minimaal 1/60e seconde als langste sluitertijd aan. Gebruik je een 200mm-objectief, gebruik dan geen sluitertijd langer dan 1/250e seconde. Dit ezelsbruggetje is voor full-frame camera’s, heb je een camera met een cropsensor, vermenigvuldig dan de brandpuntsafstand eerst met de cropfactor van de sensor. Diezelfde 50mm op een APS-C camera wordt dan ongeveer 75mm, je langste sluitertijd is dan geen 1/60 maar de volgende stop 1/125e seconde. Nu hebben veel objectieven, en tegenwoordig zelfs ook camera’s, gelukkig een zinvolle voorziening, namelijk Beeldstabilisatie, in het objectief en/of de camera. Door middel van trillingsdetectie, gevolgd door tegenbewegingen, wordt hiermee de kans op bewegingsonscherpte aanzienlijk verminderd. Zie de info bij jouw apparatuur, maar test de grens van bruikbare lange sluitertijden vooral zelf uit. Houdt er ook rekening mee dat die compensatie alleen voor jouw bewegingen geldt en niet voor die van het onderwerp.

Sluitertijd
Avondlicht in Utrecht. Kies een sluitertijd die uit de hand opnemen mét beeldstabilisatie goed mogelijk maakt. Hier is de kwaliteitsgrens met de betreffende camera 1/30 seconde, met diafragma F2.8 en ISO 3200. Foto: Mich Buschman

Nog enkele tips & tricks:

• Een onderwerp kan om snellere sluitertijden vragen, denk aan sport- en actieopnamen of het fotograferen van snel bewegende objecten of dieren, waarbij 1/500 seconde of nog sneller pas ‘echt’ scherpe resultaten oplevert.

• Bij auto- of motorsport kun je de camera meetrekken; je volgt het voertuig door de zoeker en drukt tussendoor vaak(!) af. Kies je dan een langere sluitertijd zoals 1/125 seconde of langer, dan wordt de achtergrond onscherp weergegeven. Het gevoel van een hoge snelheid zet je daardoor kracht bij.

• Bij algemene reportages met bijvoorbeeld een 24-70 mm standaardzoom kun je de 70 als ondergrens van de sluitertijd aanhouden, kies dan 1/80 seconde of sneller.

Oxárár Foss, IJsland. Met ISO 50 en diafragma F11 kwam ik bij dit licht uit op een sluitertijd van 1/60 seconde, vanaf een statief. Het vallende water werd daarmee lelijk streperig weergegeven. Een 6 stops ‘vertragend’ ND-filter (donkergrijs) op het objectief verlaagde de helderheid tot de gewenste, zachte weergave bij 1 seconde. De omzetting naar zwart-wit versterkte het contrast met de scherpe, donkere rotsen. Foto: Mich Buschman

• Een statief geeft je de zekerheid dat er geen trillingsonscherpte in de opnames zal ontstaan. Je kunt alle sluitertijden kiezen, ook de langere, omwille van de noodzaak óf voor een gewenst creatief effect. Sluit een draadontspanner aan of selecteer 2 seconden voorlooptijd aan de zelfontspanner. Het statief inzetten betekent ook vaak dat je kritischer bent op de compositie. Met ‘even uit de hand schieten’ is die soms minder, wordt het onderwerp aangesneden of staat een horizon scheef…

• Als je snel na elkaar wilt kunnen opnemen, is een snelle sluitertijd uiteraard noodzakelijk. Het schiet letterlijk niet op als je bij een sluitertijd van een kwart seconde tien beelden per seconde wilt opnemen…

• De spiegelreflexcamera (DSLR) heeft als nadeel dat er vóór elke opname eerst een aantal acties in de camera moet plaatsvinden: het diafragma op de ingestelde opening zetten, de spiegel opklappen (wég is het zoekerbeeld bij het cruciale moment!), en dan pas de sluiter openen voor de opname. Daartussendoor moet de belichting worden gemeten en ingesteld, de autofocus moet het bedoelde detail juist kunnen detecteren en het scherpstelmechanisme in het objectief instellen tot nét voor de opname. Bij spiegelloze- of systeemcamera’s zijn deze acties niet nodig en dat brengt met zich mee dat we met dit systeem sneller kunnen opnemen.

Sluitertijd
De golven beuken op de kust van Reynisfjara, IJsland. Om het opspattende schuim scherp weer te kunnen geven, was een sluitertijd van 1/1000 seconde nodig. De camera stond op de belichtingsstand S, van Shutter value. Bij Canon-camera’s moet je het instelwiel op Tv van Time value zetten. Foto: Mich Buschman

• Lange sluitertijden, gecombineerd met een flits, geven het effect dat een donkere achtergrond helderder in beeld komt, terwijl de flitser de voorgrond kort verlicht. De flitser is namelijk ‘diafragma-gekoppeld’. De flitspuls stopt als het licht op het onderwerp gemiddeld helder wordt teruggekaatst. Een voorbeeld: het uitgaanscentrum wordt met F5.6, ISO 400 en een halve seconde correct belicht. Het stel vooraan staat in een donkere omgeving, maar krijgt een flitspuls die voor F5.6 bij ISO 400 een goede belichting geeft. De sluitertijd heeft dus geen gevolgen voor de flitser en de zeer snelle flitsduur. Bewegingen van (ver)lichte objecten of personen in de achtergrond daarentegen kunnen een gekleurd lichtspoor meekrijgen.

• Watervallen, wind… De afstand tot de waterval, de grootte daarvan en de sluitertijd bepalen samen hoe het vallende water verschijnt. Dat kan als druppels (1/1000 seconde) tot streperigheid of een melkachtig gebied zijn (bij 1/15 tot wel 2 seconden en langer). Per locatie test je wat jóu voor ogen staat, niet wat die bekende landschapsfotograaf dicteert!

• De M-belichtingsstand geeft keer op keer dezelfde belichting. Je fotografeert met een vast diafragma, een vaste ISO-gevoeligheid en een vaste sluitertijd. Ook het effect is opname na opname hetzelfde. Best een overweging waard om daar eens vaker mee te fotograferen.

Lees ook Basis-dossier #1: het diafragma

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Geef je reactie!
Schrijf hier je naam