
Zonder twijfel is Klaas Jan van der Weij een van de meest toonaangevende sportfotografen van Nederland. Zijn foto’s vallen op door de indrukwekkende composities en hij vangt altijd precies het juiste moment. Hoe krijgt hij dat voor elkaar?
“Ik kan je een verhaal vertellen.” Klaas Jan van der Weij (1952) gaat er weer goed voor zitten. In 2011 wordt hij op het laatste moment door De Volkskrant naar het WK wielrennen in Denemarken gestuurd om een foto te maken van de Belgische kampioen Philippe Gilbert, tijdens een persconferentie. ‘In zijn kampioenschapstrui naast zijn fiets’, luidt de briefing. Dat lukt niet. Van der Weij baalt en besluit met een collega mee te gaan om de jeugd twintig kilometer verderop te fotograferen. Zittend op een muurtje ziet hij ineens de Belgische profs rijden en leent snel de auto van de collega. Dan maar een foto van Gilbert op zijn fiets denkt hij, heeft hij toch wat. “Ik stap in de auto en zie ze niet meer. Dan komt een splitsing. Fuck. Linksaf. Ik rijd een dorpje in. Daar staat een wielrenner naast zijn fiets in een Belgisch shirtje. Ik scheur daarheen, is het Philippe Gilbert die een lekke band heeft. En die staat met zijn wiel omhoog. Ik stop de auto midden op de weg, ren erheen en klik, klik, klik.” Zo heeft Van der Weij alsnog zijn coverfoto. Het is een van de vele anekdotes die Van der Weij zonder moeite en met veel smaak uit zijn mouw schudt. Collega’s gaan wel eens met hem mee bij een grote wedstrijd. Toch heeft alleen Van der Weij weer dat unieke moment. Besluit een collega na vijf rondjes op het WK wielrennen toch die ‘rare plek’ van Van der Weij te verlaten, knalt op dat moment het peloton op elkaar en heeft Van der Weij de foto waarop de favoriet van de wedstrijd met een kapotte fiets uit de puinhoop komt lopen. Als hij met een bevriende ANP-fotograaf een etappe van de Tour de France gaat verslaan zegt hij dat ze een gigantische valpartij gaan fotograferen. Op de laatste goede plek die ze kunnen vinden parkeren ze. “Je hebt 85 miljoen ribbeltjes op de weg op een dag. Normaal zie je ze nooit en nu valt er een op. Ik ga daar in de goot liggen met de 500mm. Mijn collega loopt om de bocht heen. De eerste renner komt eraan. Mooi beeld. Vervolgens komt een bidon met een noodgang op mij af. Ik vloek. Toen zag ik wat er gebeurde.” Uitgerekend bij het ribbeltje breekt het stuur van Jens Voigt af en hij komt precies in het beeld van Van der Weij ten val. “Hoe dan?”, vraagt hij zichzelf af.

Joystick
Ergens heeft hij wel een idee hoe het kan. “Je kunt contact hebben met de wereld, iets aanvoelen. Mijn gevoel gaat mee in wat er gebeurt. Soms vraag ik me af of alles niet al gebeurd is, dat we er een beetje achteraanlopen. Dat iemand met een soort joystick alles bedient.” Hij vindt het maar raar dat hij zo vaak op de goede plek staat. Net zoals hij het raar vindt dat hem vaak gevraagd wordt hoe hij kijkt. Want niet alleen staat Van der Weij vaak op het juiste moment ergens, hij weet alles ook in een mooie compositie in beeld te brengen. Logisch voor hem. “Hoe ik dingen zie? Nou, door mijn hoofd erheen te draaien denk ik. Ik kijk zoals ik kijk en ik heb altijd zo gekeken. That’s it.” Het doet hem bijna pijn dat mensen anders kijken, hij wil dat dan ook zien. “Ik snap echt niet dat mensen anders kijken.” Het is misschien toch weer die joystick denkt hij. Veel mensen zien iets wel, maar weten niet wat ze zien. “Het zijn je ogen en dat gaat naar de hersenen en daar gebeurt iets. Door wat je hebt meegemaakt, hoe je dingen interpreteert. Misschien zijn die verbindingen bij mij erg vertakt. Zoals zenuwen bij een beschadiging ook vertakkingen gaan maken. Je ziet iets en daar moet je dan iets mee doen. Het is misschien wel de essentie van de fotografie.” Zoals ervoor zorgen dat een lantaarnpaal niet uit iemands hoofd komt of zorgen dat een foto net wat meer aandacht krijgt. Van der Weij ziet die details allemaal,tijdens het fotograferen al. “Ik ben blijkbaar wel gevoelig voor hoe iets in zijn omgeving geplaatst wordt.”

Tegenslagen
Het is altijd belangrijk dat je verstand hebt van je onderwerp. Van der Weij is dan ook een groot sportliefhebber. Bij binnenkomst in zijn woning zie je een racefiets staan. Over de klink van de kastdeur hangt een sjaal van FC Emmen, zíjn club. Hij traint nu voor de triathlon, heeft volleybal gespeeld, marathons gelopen, gevoetbald en deed aan basketbal. Sporten levert hem ook veel blessures op. Nog altijd heeft hij last van zijn schouders door het volleyballen. Door een trap in zijn buik bij voetbal kwamen de darmen er bijna uit. Met parachutespringen viel hij vanaf 25 meter naar beneden met een parachute die niet goed open was. Op drie plaatsen brak hij zijn rug. De arts in het Franse ziekenhuis trok de verkeerde conclusie, waardoor hij een jaar plat moest liggen. Vijf jaar later glijdt hij tijdens het fotograferen van de Olympische Spelen in Salt Lake City van de piste zo’n 350 meter naar beneden. Hij raakt bewusteloos en breekt zo’n beetje alles, behalve zijn rug. Zijn eerste levensjaar kent ook al de nodige tegenslag. De eerste maand ligt hij als prematuur kind in de couveuse, zijn moeder kan hem geen moedermelk geven. Als hij weer thuis is, wordt hij met een kruikje in bed gelegd. Dat knapt en hij raakt verbrand, moet weer terug naar het ziekenhuis en houdt er een omgekeerde teen aan over. Van de pijn weet hij niets meer, al heeft hij het ongetwijfeld ergens opgeslagen. Hij is er sterk door geworden, zegt hij, heeft daardoor veel doorzettingsvermogen. “Ik kom er altijd weer bovenop. Toch weer die joystick, ook uit een hopeloze situatie weet ik me te redden.”

Ervaring
Die ervaringen helpen hem om te begrijpen wat een sporter voelt en te zien of het goed gaat met hem. Hij weet hoe het is om uit een vrij kansloze positie er toch weer bovenop te komen. “Als je op de derde plaats ligt, wil je natuurlijk vechten, maar soms kan het niet meer. Toch haalt een sporter dan ergens iets uit wat er niet is. Hoe dan? Ik vind het de mooiste fascinatie van sport. Hoe heb je je eroverheen gezet, hoe ben je doorgegaan, hoe haal je dit nog?” Van der Weij noemt zichzelf een survivor. “Ik heb wel leren knokken om te blijven, om te bestaan, om gezien te worden. Misschien had ik het idee dat ik te weinig gezien werd en ben ik daarom zo expressief geworden.” Hij moest goed opletten om te overleven en daar komt zijn fascinatie voor beeld waarschijnlijk vandaan.

Van fysio naar fotograaf
Als achtjarig jongetje fietste hij geregeld naar de krant in zijn geboorteplaats Emmen. Foto’s kijken. Toentertijd hingen die daar aan de muur. Twee foto’s van een geëxecuteerde man lieten hem niet los. Wat was daar gebeurd? Als zijn ouders naar familie in Amsterdam gaan, wordt hij vaak afgezet in het Rijksmuseum. Hij neemt alles in zich op. Kijkt naar de vormen, is geboeid door de schoonheid en denkt na over waarom hij een bepaald schilderij mooi vindt en een ander niet. Nog altijd kijkt hij graag naar schilders. Zijn favoriete boek gaat niet over fotografie, maar over Rembrandt. Hij is een groot liefhebber van Dalí, een schilder die het moet hebben van vormen. Het liefst had hij schilder willen worden, maar schilderen kan hij niet. Zijn vader is fervent amateurfotograaf en leert een vriendje van Van der Weij fotograferen. Via dat vriendje leert hij het zelf ook, want Van der Weij wil het als puber niet direct van zijn vader aannemen. Hij gaat met een camera naar de motorcross in de buurt van Hattem. Dit is leuk, dit is wat ik wil, denkt hij als hij steeds verder naar voren weet te komen. “Vervolgens ging ik fysiotherapie studeren”, want van zijn vader mocht hij niet in Amerika studeren. Zijn carrière als fysiotherapeut duurt niet heel lang. Door het fotograferen van volleybal komt hij bij Het Parool en moet een amateurwedstrijd fotograferen. Hij maakt daar een bijzondere foto van Johan Cruijff die daar, staand op een bal, aan het rondkijken is. Het is de start van een rijke carrière.

Laatste tour
In het begin fotografeert Van der Weij niet alleen sport. Voor De Volkskrant maakt hij foto’s in het Kremlin als Gorbatsjov tot president wordt verkozen. Toch besluit hij het bij sport te houden. “Omdat ik van sport houd, kan ik daar wat mee. Dat is een combinatie met ogen, of de verbinding ervan met mijn hersenen.” In zijn 35-jarige carrière heeft Van der Weij alle grote sportwedstrijden gezien. Nog één keer gaat hij voor de krant naar de Tour de France, zijn dertigste, en naar de Olympische Spelen die hij in totaal vijftien keer heeft vastgelegd. Van stoppen met fotograferen is nog lang geen sprake. Dat kan hij helemaal niet, hij moet door. Omdat hij geen pensioen heeft kunnen opbouwen door onder andere zijn ongevallen. Maar vooral omdat hij graag blijft fotograferen. Hij zal sport blijven fotograferen, maar dan op zijn eigen initiatief. Omdat hij graag in contact wil blijven met het wereldje, de mensen met name. Daarnaast wil hij ander werk maken, vrij werk. Van der Weij heeft plannen voor een serie over lichaamstaal, ontstaan door het observeren van zijn overbuurman die vaak op een bankje zit. Hij heeft nog een grote analoge Fuji middenformaatcamera, de GX680, waar hij iets mee wil. “Ik wil graag dingen maken, maar hoef niet meer zo vaak langs de lijn te zitten. Als ik kijk naar mijn neefje die schildert in zijn atelier, lijkt me dat heerlijk. Gewoon lekker bezig zijn.” Kunst maken en voor je plezier naar sport kijken, dat lijkt Van der Weij wel wat.
klaasjan.photography
@klaasjan.photography
Dit artikel komt uit Focus #4, 2024







